InleidingHet Utrechts westelijk weidegebied komt de laatste jaren steeds meer onder de aandacht. Veeteeltbedrijven verdwijnen, bebouwing komt vrij en er wordt gezocht naar economische vernieuwing. De gemeente krijgt regelmatig aanvragen voor de realisering van nieuwe initiatieven. Er is behoefte aan meer toegankelijkheid De belangstelling voor het behoud van de waarden van het buitengebied groeit. De Woerdenaar houdt van het weidse landschap dat het buitengebied kenmerkt; een gebied met grote landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden. De aanwezigheid van de vele oude boerderijen met hun bijgebouwen voegen daar een extra dimensie aan toe.
Het open karakter met een unieke historie en voor wat betreft de Oude Hollandse Waterlinie, behoort op de werelderfgoedlijst.
De VVD wil de huidige waarden bewaren en deze richtinggevend laten zijn bij nieuwe ontwikkelingen en initiatieven. Rood voor groen en rood voor rood zijn daarbij belangrijke leidraden.
Het Woerdens buitengebied vormt:
• een kwalitatief hoogwaardige landschap met veel cultureel erfgoed en grote ecologische waarden.
• een vitaal en leefbaar gebied met voldoende perspectieven voor economische activiteiten.
• een leefbaar en toegankelijk gebied voor de eigen inwoners en andere bezoekers.
• een gebied waar rust, ruimte, stilte en duisternis kunnen worden ervaren.
Beleving van het Groene Hart
Rood voor groen
Harde stedelijke bebouwingsranden kunnen door rood voor groen aan het zicht vanuit het buitengebied worden onttrokken. Met behulp van ontwikkelstramienen zijn vormen te bedenken die richtinggevend zijn.De opgaven in de bebouwingsrand kunnen onder andere met behulp van een beleid in het kader van rood voor groen verwezenlijkt worden. Rood bekostigt daarbij het groen. In het beleid kan worden opgenomen dat aan de rand van de stad met kleine stroken agrarische grond kan worden volstaan om van rood voor groen gebruik te kunnen maken. De aanleg zal hierdoor eenvoudig te realiseren zijn. Door de inzet van private middelen kan de rand van de stad worden ingericht. Zo krijgen in een kleinschalig copelandschap met bebouwing in oude stijl de rood-voor-groen-projecten toch het uiterlijk van het “boerenland”.
De te ontwikkelen rood voor groen regeling zou alleen op de gronden buiten de bebouwde kom van toepassing moeten zijn; dat wil zeggen de gronden gelegen in het bestemmingsplan Buitengebied.
Recreatie
Vrijwel het gehele buitengebied heeft een belangrijke functie voor extensieve recreatie.
We willen die functie nog verder versterken. Het gaat daarbij niet alleen om wandel-, fiets- en ruiterroutes, maar ook om recreatievoorzieningen op agrarische bedrijven, zoals een kleinschalige camping of een plattelandswinkel. Daarnaast is het investeren in een aantrekkelijk en toegankelijk landschap van groot belang voor de ontwikkeling van recreatie en toerisme.
Op een aantal plaatsen mag recreatie en toerisme intensiever zijn dan in het overige buitengebied en worden gestimuleerd. Waar dat het meest kansrijk is, kennen we een accent recreatie toe. Dit kan gebeuren bij de golfbaan bij Kamerik en bij het recreatiegebied Oortjespad met de Pitch&Putt Golfbaan. Ook de te ontwikkelen forellenvijver aan de noordkant van Teckop is daarvan een voorbeeld.
Woerden
De rand van Woerden is een nauwelijks ontwikkeld uitloopgebied voor de stad en daarom ook niet goed ingericht voor recreatief gebruik. De toegankelijkheid van het omringende gebied is beperkt en nodigt niet uit tot gebruik ervan. Zowel de ruimtelijke overgang tussen stad en buitengebied als de gebruiksmogelijkheden, de belevingswaarde en de toegankelijkheid van de stadsrand kunnen verbeterd worden.
1. Overwogen zou moeten worden hoe met een nieuwe inrichting daar meer invulling aan gegeven kan worden. Beleving, ontspanning en aantrekkelijkheid zouden daarbij de leidende principes moeten zijn. Hierbij kan gedacht worden aan een vergroting van de gebruiksmogelijkheden, de belevingswaarde en de toegankelijkheid door:
2. De aanleg van een doorlopende wandel-, fiets- en skeelerroute rondom de stad (‘rondje Woerden’ ). Het rondje maakt zoveel mogelijk gebruik van bestaande wegen en paden, heeft een herkenbare vormgeving en goede toevoerroutes vanuit de stad en het buitengebied. Bij het gebruik van bestaande wegen en paden moet gedacht worden aan historische lijnen, zoals jaagpaden en oude kaden.
3. De rand van de stad in te richten voor recreatief gebruik en natuur, met speciale aandacht voor sloten, vaarwegen en voor waterberging. Beleving van natuur en water speelt daarbij een belangrijke rol.
4. Andere functies in de stadsrand te ontwikkelen, te bevorderen en/of toe te laten, zoals:
• natuureducatie, bijvoorbeeld een natuurpad, een vlindertuin en een heemtuin;
• aanleg van ruiterpaden
• kunst buiten;
• horeca, een plattelandswinkel, ambulante handel van streekproducten.
Harmelen
Harmelen heeft de kenmerken van een dorp met een uitleggebied. Voor het dorp loopt een aanvraag voor de status van een beschermd dorpsgezicht. De noordzijde kent een overgang via Vijverbos naar Haarzuilens. Ook de Oude Rijnzone is nog redelijk toegankelijk, maar de zuidzijde en in mindere mate, oost- en westkant bieden weinig mogelijkheden. De realisatie van een park aan de oostzijde zal bij kunnen dragen aan de ontwikkeling van wandel- en fietspaden. Op termijn mag verwacht worden dat ook de westzijde als overgangsgebied tussen de Cattenbroekseplas een ruimere mogelijkheid krijgt voor wandel-, fiets- en ruiterpaden. De eventuele aanleg van vaarwegen vanaf en naar de Oude Rijn(Bijleveld en Cattenbroekseplas) zou daaraan een extra dimensie kunnen toevoegen.
Kamerik en Zegveld
Kamerik en Zegveld zijn als typische plattelandsdorpen vanuit de oude kern de weilanden ingegroeid.
De dorpsranden zijn hard; door het creëren van groene overgangsgebiedjes kan voor een betere inpassing in het weidelandschap gezorgd worden. De bestaande wegenstructuur vormt tevens de wandel-, fiets-, ruiter- en skeelerroutes. De plaatselijke initiatieven op het gebied van agrotoerisme zouden verder gestimuleerd kunnen worden. De vaarwegen(oude weteringen) kunnen verder ontwikkeld en gecombineerd worden met bestaande initiatieven. De aanleg van een golfbaan in combinatie met wandel-, fiets- skeeler- en ruiterpaden legt een nieuwe verbinding tussen Kamerik, Harmelen en Woerden, waardoor meerdere rondjes mogelijk worden. In Zegveld kan naast een route naar het dorp Mi ook een project in het kader van de OHWL worden vorm gegeven. Door aan te sluiten op bestaande routes rond de Nieuwkoopse plassen via de Meije, Woerdense Verlaat en een zelfbedieningspontje naar de Houtkade in Kamerik worden veel nieuwe rondjes mogelijk.
Wegen en paden
Wegenstructuur en parkeren Met alle te ontwikkelen activiteiten is er ook sprake van een verkeersaantrekkende (lees
auto’s) werking. Die auto’s hebben niet alleen wegen nodig, maar vooral parkeergelegenheid, met name op de knooppunten, zoals bijvoorbeeld het Oortjespad. Daar is nu al zichtbaar welke invloed de auto’s hebben op de ruimte. Bij de ontwikkelingen staat de ruimtelijke kwaliteit voorop. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het vooral om beeldkwaliteit, maar ook de verkeersaantrekkende werking is van invloed op de ruimtelijke kwaliteit. De ruimtelijke kwaliteit moet daarom een belangrijk toetsingscriterium zijn voor een nieuw initiatief. Een hulpmiddel kan daarbij bijvoorbeeld zijn een onderverdeling in wegfuncties te maken: de N- wegen, rustige verbindingswegen en overige wegen. Het beleid zou kunnen zijn:
1. Langs of in de onmiddellijke omgeving van de drukke wegen zijn de meer verkeersaantrekkende functies mogelijk. Voorbeelden zijn Oortjespad, golfbaan, Boerinn en ook alle bestaande sportfaciliteiten aan de rand van de bebouwde kom.
2. Langs of in de onmiddellijke omgeving van de rustige verbindingswegen zijn slechts functies mogelijk, die in beperkte mate een verkeersaantrekkende werking hebben. Voorbeelden zijn kaasboerderijen en de jachthaven.
3. Langs of in de onmiddellijke omgeving van de overige wegen zijn verkeersaantrekkende functies niet goed mogelijk. Keiharde voorwaarde moet parkeren op eigen terrein zijn.
Recreatieve paden
Voor recreatie en toerisme in het buitengebied is een goede ontsluiting van belang, voor wandelaars, fietsers, hardlopers, recreatieve wielrenners, skeelers, mountainbikers en ruiters. Dit geldt zowel in de stadsrand als ook in de rest van het buitengebied.
Belangrijk zijn de volgende uitgangspunten:
1. Lange afstand wandelroutes en lange afstand fietsroutes zoals de Hollandse Kades en het jaagpad langs de Oude Rijn in stand houden.
2. Lokale routes verbeteren en uitbreiden. Daarbij zoveel mogelijk rekening houden met oude cultuurhistorische lijnen, zoals bijvoorbeeld de Limes.
3. Routes naar het buitengebied in de stad herkenbaar maken.
4. Kaden en landwegen koesteren als cultuurhistorische relicten van de Woerdense geschiedenis. Geen wegverbreding, geen verharding van half- of onverharde paden en passend bermbeheer.
5. Mountainbikers en ruiters geleiden, zodat kwetsbare gebieden niet worden belast.
6. Bij de aanleg van ruiterpaden aansluiten bij het uitloopgebied van maneges.
Verstedelijking van het buitengebied
Het uitgangspunt van geen verdere bebouwing van het buitengebied, zoals dat in het streekplan is gehanteerd, blijft ook voor de toekomst het uitgangspunt. Het creëren van een aangepast beleid voor het buitengebied is vooral bedoeld om initiatieven te kunnen
toetsen. De grootschalige stadsuitbreidingen zoals door sommigen worden gepropageerd vallen onder de ruimtelijke ordeningsvisie. Het hieronder geformuleerde beleid dient in deze context te worden bezien.
Er zou met betrekking tot de bebouwing in het buitengebied ruimte moeten zijn voor drie uitzonderingen:
1. Bestaande rechten binnen bestaande agrarische bouwpercelen.
2. De vestiging van een nieuw landgoed met daarbij de bouw van één of meerdere gebouwen
3. Rood voor groen in de stadsrand
Landbouw
Ook in Woerden stoppen de laatste jaren meerdere landbouwbedrijven met hun economische activiteiten. Als gevolg van de stijgende melkprijzen, gaat het echter nu weer wat beter met de landbouw. Het aantal melkveehouderijen blijft weliswaar dalen, maar hun omvang groeit. Voor een duurzame landbouw is grond nodig, al was het maar om te kunnen voldoen aan milieuregels (maximum aantal dieren per ha).
Het beleid moet daarom gericht zijn op:
1. Het voorkomen van verdere bebouwing van het buitengebied. Nieuwe of te verplaatsen bedrijven gebruik laten maken van vrijkomende agrarische bouwpercelen. Als vaststaat dat geen bestaand bedrijf in Woerden of de regio beschikbaar is of geschikt kan worden gemaakt, kan een nieuwe locatie voor een agrarisch bedrijf op een nu nog niet bebouwde locatie worden overwogen. Dit geldt niet voor boerderijlocaties die in landinrichtingsplannen worden aangewezen.
2. Agrarische bedrijven kunnen problemen met een milieuvergunning krijgen als gevolg van nieuwe mogelijkheden in hun nabijheid, zoals wonen in karakteristieke gebouwen en nieuwe functies in voormalige agrarische bedrijfsgebouwen.
Uitgangspunt is, dat andere functies niet ten koste mogen gaan van de toekomstmogelijkheden van de landbouw. Bij de beoordeling van initiatieven moet onder meer worden gekeken naar de maximale bebouwingsmogelijkheden die een agrarisch bedrijf heeft op grond van het bestemmingsplan en naar de milieuruimte waarvan het bedrijf in de toekomst nog gebruik zou kunnen gaan maken.
De aanleg van nieuwe natuur op bijvoorbeeld nieuwe landgoederen zal geen belemmering mogen vormen voor agrarische bedrijven.
Rood voor rood
Als in het buitengebied landschapsontsierende bedrijfsgebouwen worden afgebroken, kan de eigenaar het recht op een bouwkavel krijgen. Dit betekent dat rood voor rood wordt ingeruild. Uit de waarde van de bouwkavel worden alle kosten betaald, zoals de sloopkosten, kosten van verwijdering van asbest maar ook advies-, onderzoeks- en plankosten. De regeling staat bekend als de ruimte voor ruimteregeling waarin harde
voorwaarden staan geformuleerd voor medewerking aan een verzoek. Een nader uitwerking van het beleid zou kunnen zijn:
1. Af te breken bedrijfsgebouwen.
Alle landschapsontsierende bedrijfsgebouwen op een perceel moeten worden afgebroken. Er kan toestemming worden gegeven bedrijfsgebouwen te handhaven, die van belang zijn voor het karakter van een erf. Beeldbepalende, cultuurhistorisch
waardevolle en karakteristieke bedrijfsgebouwen en gebouwen, die van essentieel belang zijn voor het karakter van een erf, mogen niet worden afgebroken.
2. Aantal bouwkavels.
Bij afbraak van een minimaal aantal m2 bedrijfsgebouwen ontstaat het recht op één bouwkavel. Als er een veelvoud daarvan aan bedrijfsgebouwen wordt gesloopt kan een extra bouwkavel worden toegekend.
3. Oppervlakte bouwkavel.
Bouwkavels in het buitengebied behoren een zekere omvang te hebben om het open karakter alsmede de gebruikelijke maatvoering te kunne realiseren. De bouwkavel heeft daarom standaard een oppervlakte van tenminste 1000 m2. De inhoud van de nieuwe bebouwing mag niet meer bedragen dan 750 m3 of 50% van de inhoud van het hoofdgebouw.
4. Situering bouwkavel.
De bouwkavel kan worden gesitueerd:
• Op het erf waar de bedrijfsgebouwen worden afgebroken.
• Op een ander erf voorzover het karakter van dat erf daardoor niet wordt aangetast.
• Aansluitend aan bestaande patronen, zoals dorpskernen en lintbebouwing.
• In het stedelijk gebied.
5. Bebouwing op de bouwkavel.
De bouwkavel mag worden bebouwd met een woning met een redelijk inhoud. Ook is toegestaan de bouw van een gebouw met daarin een werk-, recreatieve- of toeristische functie. Zowel bij een woning als bij een gebouw met een andere functie is erfbebouwing tot een maximum van 50 m2 toegestaan. Als de woning of het gebouw met een andere functie aan de rand van het stedelijk gebied wordt gebouwd, kan een hogere
inhoudsmaat worden afgesproken, die aansluit bij de omgeving waar wordt gebouwd.
Wanneer recht bestaat op bijvoorbeeld twee of drie bouwkavels is samenvoeging mogelijk tot een grotere woning, mits hierdoor een grotere bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit wordt geleverd dan bij afzonderlijke woningen.
Om te voorkomen, dat op een locatie waar de bedrijfsgebouwen worden afgebroken opnieuw agrarische bedrijfsgebouwen worden gebouwd, zal het agrarisch bouwperceel uit het bestemmingsplan worden verwijderd, dan wel worden aangepast, indien een extensief gedeelte van het bedrijf wordt voortgezet. De voormalige “dienst”woning (wringhuis of zomerhuis) krijgt een woonbestemming.
Plattelandsfonds
Er wordt door de gemeente een plattelandsfonds opgericht. Als besteding van de gelden voor verbetering van de ruimtelijke kwaliteit niet op zinvolle wijze op gronden in het buitengebied van Woerden in eigendom van verzoeker mogelijk is, dienen deze gelden in
het plattelandsfonds te worden gestort. Uit een dergelijk fonds kunnen maatregelen ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit elders in het buitengebied worden gefinancierd. Uit het fonds kan ook aan verzoekers, die voldoen aan de voorwaarden voor deelname aan de rood-voor-rood-regeling, maar die geen aanspraak willen maken op een bouwkavel, een vergoeding worden gegeven. Deze vergoeding bedraagt ten hoogste het bedrag, dat nodig is voor de sloopkosten, de kosten van verwijdering van asbest, 30% van de gecorrigeerde vervangingswaarde van de gesloopte gebouwen, advies- en onderzoeks- en plankosten en legeskosten. Uit het fonds kan verder een bijdrage worden verleend voor de kosten van maatregelen voor de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, die direct verband houden met het slopen van de gebouwen.
Voormalige agrarische bedrijfsgebouwen
Bijgebouwen bij boerderijen hebben een functie in de bedrijfsvoering en bij voormalige boerderijen hadden zij die. Het bijgebouw heeft daarmee een beeldbepalende functie voor het hoofdgebouw. Het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied kent een positieve lijst voor hergebruik van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen. Bij nevenactiviteit wordt terecht als voorwaarde gesteld, dat de agrarische activiteit van de bedrijven in de onmiddellijke omgeving niet gehinderd mag worden. Echter de nieuwe regeling werkt ook zeer beperkend op het gebied van herbestemming, met name ten aanzien van de toegestane oppervlakte. Het zou verstandig zijn deze beperkingen te laten varen. Als de nieuwe functie in een van voormalige agrarische bedrijfsgebouw is toegestaan, is de beschikbare oppervlakte ook als maximum toegestaan. De maat van het gebouw is dus bepalend. De regeling zou in principe voor alle op een erf gelegen voormalige agrarische bedrijfsgebouwen in het buitengebied moeten gelden, ook als zij niet langer op een agrarisch bouwperceel zijn gelegen. De regeling behoort niet voor bijgebouwen bij van oorsprong burgerwoningen te gelden.
Uitgangspunten zouden kunnen zijn:
• het bijgebouw is gebouwd vóór 1950.
• het bijgebouw is in Hollandsche stijl gebouwd of heeft een cultuurhistorische betekenis.
• het bijgebouw heeft haar oorspronkelijke karakter behouden, dan wel het oorspronkelijke karakter kan worden hersteld.
• Uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de nieuwe functie is niet toegestaan.
• De voormalige agrarische bedrijfsgebouwregeling geldt alleen voor gebouwen, waarvoor een bouwvergunning is afgegeven.
• De regeling geldt alleen voor gebouwen, die minstens 5 jaar vóór de aanvraag tot deelname aan de regeling zijn gebouwd en aantoonbaar minstens 5 jaar bedrijfsmatig in gebruik zijn geweest. Voorkomen moet worden, dat gebouwen slechts worden opgericht met als oogmerk daar een voormalige agrarische bedrijfsgebouwfunctie voor te verkrijgen.
• Tenzij de nieuwe functie zeer beperkte gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit heeft, dient door de aanvrager voor een nieuwe functie een beeldkwaliteitsplan en/of een erfinrichtingsplan te worden gemaakt. Daarbij gaat het vooral ook om het ensemble van gebouwen en de inpassing van het gehele erf in de omgeving.
Over de vragen of een bijgebouw daadwerkelijk waardevol is en of dat waardevolle karakter niet door de functieverandering wordt aangetast, kan advies worden ingewonnen. Bijgebouwen op de rijks- of gemeentelijke monumentenlijst worden altijd aangemerkt als waardevolle bijgebouw.
Om welke gebouwen gaat het 1. Waardevol bijgebouw gelegen op een erf.
Functies zoals wonen, werken, recreatie en toerisme, mits er geen aantasting van de karakteristieke waarden van het bijgebouw en het karakter van het erf plaatsvinden, kunnen worden toegestaan. Om voor een woonfunctie in aanmerking te komen, moet een bijgebouw een voldoende inhoud hebben. De bijgebouwen die niet worden hergebruikt moeten worden afgebroken, tenzij zij van belang zijn voor het erfkarakter of een agrarische functie blijven houden. Aan het toekennen van een woonfunctie aan een waardevol bijgebouw zal de voorwaarde worden verbonden, dat dit bijgebouw wordt opgenomen op de gemeentelijke monumentenlijst.
2. Waardevol bijgebouw, niet gelegen op een erf.
Het kan voorkomen dat een bijgebouw niet op een erf ligt, maar wel als waardevol wordt aangeduid. Dan kunnen lichte vormen van recreatie en toerisme worden toegestaan, b.v. informatiepunt, mits er geen aantasting van de karakteristieke waarden van de bijgebouw plaatsvindt. Verblijfsrecreatie is niet toegestaan.
3. Niet waardevol bijgebouw, gelegen op een erf.
De functies werken, recreatie en toerisme kunnen worden toegestaan, mits er geen aantasting van het karakter van het erf plaatsvindt; bijgebouwen die niet worden hergebruikt moeten worden afgebroken, tenzij zij van belang zijn voor het erfkarakter of een agrarisch gebruik blijven houden. Geen functies worden toegestaan in bijgebouwen, die onmiskenbaar landschaps- of erfontsierend zijn.
Bij afbraak van deze onmiskenbaar landschaps- of erfontsierende bijgebouwen is nieuwbouw ten behoeve van een voormalige agrarische bedrijfsgebouw functie mogelijk.
4. Niet waardevolle bijgebouw, niet gelegen op een erf.
Er kunnen geen functies worden toegestaan. Bij afbraak van onmiskenbaar landschapsontsierende bijgebouwen is nieuwbouw niet toegestaan. In bijzonder gevallen kan hiervan worden afgeweken, maar uitsluitend als een nieuwe functie kan worden toegekend, verband houdende met nieuwe ontwikkelingen in het kader van recreatie en toerisme, zie hieronder.
5. Afbraak gevolgd door nieuwbouw.
Afbraak gevolgd door nieuwbouw op hetzelfde erf ten behoeve van een andere functie is mogelijk als de ruimtelijke kwaliteit daarmee is gediend of wanneer dat noodzakelijk is vanwege functionele of bouwtechnische redenen. Sloop gevolgd door nieuwbouw moet in ieder geval leiden tot een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij kan de ruimtelijke kwaliteit vragen om een substantiële reductie van het bouwvolume. Afbraak van beeldbepalende, cultuurhistorische en karakteristieke gebouwen en van gebouwen die van essentieel belang zijn voor het karakter van een erf zijn niet toegestaan.
6. Woonfunctie.
Een woonfunctie is mogelijk voor de bestaande “dienst”woning en voor een waardevolle bijgebouw op een erf voorzover daardoor de karakteristieke waarden van dat waardevolle bijgebouw en het karakter van een erf niet worden aangetast. Het gehele gebouw mag worden gebruikt voor de woonfunctie. Ook bij mag deze woning het gehele gebouw waarvan de woning deel uitmaakt worden gebruikt voor de woonfunctie. Het is niet mogelijk bij deze herbestemming alsnog een schuur van maximaal 50m2 te bouwen conform de standaardregel. Afhankelijk van de inhoud van het gebouw zijn twee of zelfs drie zelfstandige wooneenheden (geen afzonderlijke woningen) toegestaan.
Ten behoeve van woonzorg is een verdubbeling van het aantal wooneenheden toegestaan.
7. Detailhandel.
Het is bedrijven van detailhandel in het buitengebied is niet toegestaan. Een uitzondering wordt gemaakt voor winkels bij boerderijen waar uitsluitend “eigen” producten worden aangeboden. Dit soort boerderijwinkels mogen maximaal de grootte van het bijgebouw beslaan.
8. Blijvend agrarisch bedrijf.
Zoals aangegeven in de aanhef van deze paragraaf is de voormalige agrarische bedrijfsgebouwregeling ook van toepassing op een gedeelte van de gebouwen van een blijvend agrarisch bedrijf. Toepassing van de regeling op een gedeelte van de gebouwen van een blijvend agrarisch bedrijf mag niet leiden tot een groter agrarisch bouwperceel voor het agrarische en niet-agrarische deel van het bedrijf. Bovendien zal bij een latere bouwaanvraag ten behoeve van het agrarisch bedrijf aangetoond moeten worden, dat het gebouw daarvoor niet geschikt is of geschikt is te maken.
9. Nieuwe dienstwoning.
Er bestaat geen recht op een extra (bedrijfs)woning ten behoeve van de functie, ook niet als de bestaande bedrijfswoning (al dan niet samen met eventuele blijvende agrarische gebouwen) wordt vervreemd. Opslag of andere bedrijfsactiviteiten buiten de gebouwen zijn niet toegestaan. Bij recreatieve en toeristische functies kan een uitzondering worden gemaakt voor activiteiten die naar hun aard niet inpandig kunnen plaatsvinden.
Rood voor groen
Onder rood voor groen verstaan we de toevoeging van een rode functie (bebouwing) aan het buitengebied, die de identiteit niet verstoort en de waarden op het gebied van landschap, natuur, toegankelijkheid en beleving versterkt.
De gemeente biedt ruimte voor rood voor groen, omdat deze een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit en aan de realisering van natuur-, landschaps- en recreatieve doelstellingen in het bijzonder.
Rood voor groen heeft een maatschappelijke meerwaarde, die vooral tot uiting komt in de volgende aspecten:
- het landschap wordt versterkt;
- groenstructuren worden versterkt;
- de ecologische structuur wordt versterkt;
- de natuurwaarden worden vergroot;
- de recreatieve structuur wordt versterkt;
- de mogelijkheden voor recreatief medegebruik worden versterkt;
- er komt meer belevingswater en de bergingscapaciteiten worden vergroot;
- er wordt een bijdrage geleverd aan de plattelandsvernieuwing;
- de woningmarkt wordt verbreed.
Wij onderscheiden twee vormen van rood voor groen: nieuwe landgoederen en rood voor groen aan de rand van de stad
Er worden ‘harde’ voorwaarden geformuleerd voor medewerking aan een verzoek voor rood voor groen. Wordt niet aan één of meerdere van deze voorwaarden voldaan, dan wordt het verzoek afgewezen.
Evenals bij rood voor rood, dient ook bij rood voor groen de opbrengst van de bouwkavel(s) te worden besteed aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.
Nieuwe landgoederen
Nieuwe landgoederen zijn vooral bedoeld om de natuur en landschap in en de toegankelijkheid van het buitengebied te versterken. Maar wij willen voorkomen, dat nieuwe landgoederen de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw gaan belemmeren. Het aantal agrarische bedrijven daalt weliswaar, maar hun omvang groeit.
Voor een duurzame veeteelt is grond nodig, onder andere om te kunnen voldoen aan milieuregels (maximum aantal dieren per ha). Nieuwe landgoederen zijn mogelijk, als tenminste 75% van de gronden van het nieuwe landgoed als “nieuwe” natuur is aangewezen. Voorwaarde is dan wel, dat die “nieuwe” natuur volledig door het nieuwe landgoed wordt gerealiseerd. Bij landgoederen gaat het altijd om een langjarig(>25 jaar)landschappelijk ontwikkelingsperspectief. Het landschap is het kader; het beleid hoort daarop gericht te zijn. In het ontwerp bestemmingsplan wordt onder verwijzing naar het streekplan alleen een landgoed toegestaan in landelijk gebied 1 en 3. Deze beperking moet door de provincie worden opgeheven, omdat zij de ontwikkeling onnodig tegenhoudt.
Een landgoed dient wettelijk een oppervlakte van minimaal 5 ha te beslaan, maar overwogen kan worden of deze maat niet verhoogd moet worden.
Nieuw voor oud in maatschappelijk opzicht
De agrarische bedrijfsvoering was tot ongeveer 1950 gebaseerd op menskracht. Een boer had 5 tot 10 knechten evenzoveel meiden. Op het bedrijf liepen dan afhankelijk van het jaargetijde, samen met de vaak nog inwonende ouders en kinderen, 10 tot 30 mensen rond. Vaak waren zij gehuisvest in de bijgebouwen, schuur of zomerhuis, maar ook in de boerderij, op zolder.
Door de mechanisatie is dat beeld drastisch veranderd; het platteland is leeggelopen, de industrie vroeg steeds meer arbeidskrachten en het bedrijf werd uiteindelijk door de boer en zijn vrouw gerund.
Het was dus vroeger druk op een boerderij en wat is er op tegen om daar weer naar terug te keren op een andere manier. De vrijkomende agrarische bebouwing kan voldoende mensen huisvesten en gezamenlijk kunnen zij zorg dragen voor het instandhouden van erf, bebouwing en land. De “kangaroe woning” van de bebouwde kom vindt haar equivalent in de hernieuwde bewoning van de vrijkomende agrarische gebouwen. De maatschappelijk functie die de nieuwe bewoners jegens de oude eigenaren kunnen vervullen dragen bij in het tot op hoge leeftijd kunnen blijven wonen in een plezierige en vertrouwde woonomgeving.
Samenvatting
Het ter visie liggende plan Buitengebied is een goed plan. Het moet, rekening houdende met de gewijzigde inzichten van de afgelopen drie, vier jaar, in een aantal opzichten gewijzigd worden. Het is op een aantal punten te rigide van opzet geworden. Mede door ontwikkelingen op het gebied van behoud en herbestemming van bebouwing in het buitengebied, demografisch ontwikkelingen en versterking van recreatieve mogelijkheden op korte afstand van de eigen woning, is een heroverweging noodzakelijk.
Belangrijk voor de versterking van het landschap is de harde bebouwingswanden te verzachten met goed doordachte overgangen naar het platteland. De recreatieve functies in de randen van de stad moeten worden ontwikkeld. Aanleg van fiets-, voet-, skeeler-, en ruiterpaden vanuit de rand van de stad is daarvoor noodzakelijk.
Gerichte ontwikkeling van recreatieve mogelijkheden in het buitengebied maakt de omgeving van Woerden aantrekkelijk voor zowel de eigen inwoners als voor mensen van ons omringende stedelijk gebieden.
De leefbaarheid in het buitengebied kan worden versterkt door herbestemming van bijgebouwen tot woning mogelijk te maken, dit als antwoord op de klassieke lintbebouwing. Met het oog op de toenemende vergrijzing wordt door de bewoning van een erf door meerdere huishoudens de zorgcomponent versterkt. Om een en ander te kunnen bekostigen wordt een plattelandsfonds opgericht.
Conclusie
Het ter visie liggende plan Buitengebied behoeft aanpassing.
VVD Woerden,
Ruud Mees
Voor deze visie zijn de volgende bronnen gebruikt:
- Bestemmingsplan landelijk gebied Woerden, Kamerik, Zegveld
- Buitenkans, Gids voor het buitengebied, Gemeente Enschede