Het aantal bedrijfsvestigingen in heel Nederland is in de afgelopen jaren gegroeid en gelukkig maar. Kamers van Koophandel melden in hun gepubliceerde overzichten dat de omzet en werkgelegenheid aanmerkelijk gegroeid zijn. Ook de daling van het aantal faillissementen in westelijk Utrecht in 2011 laat een herstel van de lokale economie zien.
Op zich een ontwikkeling waar we allemaal baat bij hebben en die ons tot tevredenheid moet stemmen. Dit leidt echter onvermijdelijk tot een duidelijk waarneembare druk op het aantal bedrijfslocaties. De schattingen die de verschillende ministeries gemaakt hebben wijzen voor 2020 op een vraag naar minimaal 14.000 hectare.
Als we bedenken dat Nederland voor 15 % bebouwd is (en dus 85 % onbebouwd land ) dan kan de conclusie zijn: “Waar doen we nu moeilijk over?”. Factoren als werkgelegenheid en milieu en landschapsoverwegingen zorgen voor een lastige afweging. Er is een tekort aan bedrijfslocaties. Als de vraag groter is dan het aanbod, past de markt zich aan en zoekt het net als water de weg van de minste weerstand (of anders gezegd het zoekt het laagste punt).
Laten we kijken naar de discussie omtrent een bovenregionale bedrijfslocatie in Bijleveld, een plaats die we zelf als Woerden ongeschikt vinden. Laten we ook kijken naar de bedrijfsterreinen langs de snelwegen, die nu betiteld worden als “verrommeling van het landschap” wat volgens het kabinet een halt moet worden toegeroepen.
Als we bedenken dat er gebieden zijn aangewezen waar geen ontwikkelingen meer mogen op het gebied van bebouwing, zoals Het Groene Hart, de Veluwe maar ook de trend tot afschaffing van natuurlijke landschapsgebieden bijv. de Utrechtse Heuvelrug en Het Groene Hart wordt het heel moeilijk om oplossend te handelen.
Niet iedere gemeente is in staat om herstructurering van haar bedrijventerreinen te overwegen. De kosten zijn nu eenmaal hoger dan het ontwikkelen van nieuwe terreinen en dit geldt ook voor de bedrijven zelf. Sommigen redeneren bewust in termen van verloedering, zodat op natuurlijk vertrek gerekend wordt en het vervolgens op eenvoudige wijze naar gemeenten toekomt. Bedrijven in vervuilende categorieën worden vaak doorverwezen naar regionale of bovenregionale bedrijfsterreinen.
Is dit dan een juiste wijze van verantwoordelijkheid nemen door overheden? Het oplossen van de geschetste problematiek bestaat voor het overgrote deel uit doorzettingsvermogen van gemeenten, waarbij met winstgevende projecten gelden vrij moeten komen om oplossingen te vinden voor ogenschijnlijk onrendabele bestaande bedrijfsgebieden.. Daarbij kunnen regionale samenwerkingsverbanden ook een bijdrage leveren.
Hier in Utrecht zie je deze ontwikkeling, maar het is vooralsnog een weg met vallen en opstaan. Ik zie wel bij de participanten de drang en de wil om door te zetten om de doelstellingen te bereiken.
Het is en blijft noodzakelijk om over gemeentelijke grenzen te kijken en gezamenlijk ervoor te zorgen dat bedrijfslocaties beschikbaar blijven in samenhang met een balans tussen leven, wonen en werken. Er komen nu regionale convenanten bedrijfsterreinen, die ingebracht worden bij de provincie. Vervolgens kan iedere gemeente vanuit het convenant de terreinen inbrengen die op korte termijn gerealiseerd of aangepakt kunnen worden bij de Ontwikkelingsmaatschappij Utrecht (OMU). De OMU richt zich primair op de herstructurering van bedrijfslocaties. Daarnaast krijgt de OMU ook een taak bij de realisatie van andere gebiedsprojecten.
We zullen moeten afwachten hoe de OMU (met een start kapitaal van €15 miljoen) ons bij de revitalisering/herstructurering van een nog nader vast te stellen nieuw terrein zal ondersteunen. Op basis van de SER ladder (zie onder) zal de urgentie en de haalbaarheid worden bepaalt.
Zelf zullen we moeten zorgen ons voorwerk gedaan te hebben om meteen projecten in te dienen. Dan kunnen we meteen zien wie nu beschikt nu over besluitvaardigheid, doorzettingsvermogen en bestuurskracht.
Martin Schreurs,
Wethouder te Woerden.
Het begrip SER-ladder is een ‘denkmodel’ voor de verdeling van de schaarse ruimte en wordt in de praktijk vooral toegepast op bedrijventerreinen.
De ‘ladder’ heeft drie treden:
1. Gebruik de al beschikbare, voor een bepaalde functie bestemde ruimte en/of maak deze ruimte door herstructurering geschikt.
2. Maak optimaal gebruik van de ruimte (ondergronds bouwen en hoogbouw, technische vernieuwingen, multifunctioneel ruimtegebruik).
3. Pas als de stappen 1 en 2 onvoldoende soelaas bieden, is uitbreiding van het ruimtegebruik aan de orde.





