StartpaginaHet Gemeentefonds

Het Gemeentefonds

Ieder jaar zondert het rijk binnen de Rijksbegroting een bedrag af voor het zogenaamde Gemeentefonds. Iedere gemeente heeft recht op een algemene uitkering ( financiële bijdrage) uit dit Gemeentefonds. Bij de verdeling van het gemeentefonds voor alle gemeenten wordt er rekening gehouden met de verschillen tussen de gemeenten op basis van kengetallen. Hiermee wordt geprobeerd om de verschillen, maar ook de overeenkomsten tussen gemeenten zoveel mogelijk tot uitdrukking te laten komen in de algemene uitkering. De verdeling sluit bij de verschillen in kostenstructuren van de gemeenten aan en het stelsel houdt rekening met de veranderingen in de maatschappelijke en bestuurlijke omgeving.

Een gemeente met een slechte sociale structuur (veel lage inkomens, veel mensen in de bijstand) en gemeenten met een regionale, dan wel centrumfunctie krijgen nu hetgeen ze moet bieden om het service niveau (voorzieningenniveau) op peil te houden.

De verschillen in de voorzieningenniveaus zijn soms groot. Dus door deze verschillen zou er rekening gehouden moeten zijn met het beslag dat gelegd wordt op een gemeentelijke organisatie. Tussen de grootte van de gemeente en de relatief zwakke structuur bestaat echter geen duidelijk verband meer. De groei van het Gemeentefonds is gekoppeld aan de groei van de netto-gecorrigeerde uitgaven van het rijk. Dit zijn de uitgaven van het rijk gecorrigeerd voor een aantal posten, zoals de afdrachten aan de Europese Unie en van het Gemeentefonds zelf.

Met deze genormeerde bedragen van het fonds wordt bereikt dat de gemeenten zoveel mogelijk in een gelijke financiële positie worden geplaatst. Hierbij geldt het principe “samen de trap op, samen de trap af”. Als het rijk meer uit te geven heeft dan groeit het fonds, heeft het rijk minder te besteden dan krimpt het fonds. Overigens komt dit de betrouwbaarheid van inkomsten voor gemeenten niet ten goede.

Om maandelijkse fluctuaties in het fonds op te kunnen vangen is gezien de financieel krapte in de kas van veel gemeenten in de jaren ‘90 besloten dat met ingang van 1997 sowieso een bepaald bedrag niet uitgekeerd wordt uit het Gemeentefonds aan de Gemeente. Dit gereserveerde bedrag heeft de naam behoedzaamheidsreserve. Kunnen de schommelingen niet binnen deze reserve worden opgevangen, dan moeten de gemeenten aan het einde van een jaar alsnog een extra bedrag terugstorten in het Gemeentefonds. Andersom wordt geld, dat van de behoedzaamheidsreserve overblijft, alsnog aan de gemeenten uitgekeerd.

De eigen inkomsten (OZB, rioolheffing, afvalretributie, leges enz..) van een gemeenten vormen in geld uitgedrukt slechts een klein onderdeel van de totale inkomsten van een gemeente. Toch moeten zij misschien wel tot de belangrijkste inkomsten worden gerekend, als zij worden bekeken vanuit het oogpunt van vrijheid van handelen van een gemeente. De specifieke uitkeringen kunnen alleen door de gemeenten worden besteed aan het doel warvoor ze beschikbaar worden gesteld. Bij de hoogte van de algemene uitkering wordt al zoveel mogelijk rekening gehouden met de omstandigheden waarin de gemeente verkeert. Met behulp van de eigen inkomsten is het voor een gemeente mogelijk om haar takenpakket uit te breiden, of om haar bestaande takenpakket te verbeteren.

Ondanks de relatief beperkte omvang van de eigen inkomsten en het kader van beginselen waarbinnen eigen inkomsten kunnen worden gegenereerd, vormen de eigen inkomsten van de gemeente toch een belangrijk sturingsmechanisme voor het bestuur. Het gemeentebestuur (de gemeenteraad) maakt namelijk zelf een heel nadrukkelijke afweging van lasten en baten van al haar voorzieningen en het gewenste niveau van deze voorzieningen.

Dit betekent dus ook dat bij bijvoorbeeld de WMO de insteek gekozen kan worden dat je als gemeente geen extra bedrag eraan toevoegt, maar dat je het gelijk houdt. Dan kan je het vertalen als een bezuiniging, maar ook zien als een inzet op efficiëntie en effectief gebruik. Als we dan ook weten dat het een open eind regeling is. Daarmee kan iedereen weten, dat zij die genoodzaakt zijn er gebruik van te maken, er niet op achteruit gaan. De minimum normen zijn vastgesteld en wordt je bestand van gebruikers groter, je genoodzaakt wordt verantwoording te nemen en te zorgen dat er geld bijgelegd moet worden. Dat hoeft dus niet eerder dan dat het daadwerkelijk aan de orde is. Vanaf het moment dat dit gegeven er is, kan je bepalen of je begroting structureel dan wel incidenteel aangepast dient te worden.

Zo heb ik u hopelijk meegenomen door een stuk financiële gemeentewerking, waarvan duidelijk is dat er bij burgers ogenschijnlijk een negatief begrip is over “de Gemeente” en dat behoeft meer relativering. Gemeenten kunnen dus geen “big spenders” zijn en zo het werk doen, waarvoor u ze betaalt.

Martin Schreurs,
Wethouder te Woerden.
 

 

Martin Schreurs

.

Ruud Mees

.

Ingrid Berkhof

.

Frank Tuit

.

Reinier Kunst

.

Roeland Winter

.

Stefan van Hameren

.

Danielle van den Berg

.

Word lid van de VVD

.

Huidige gasten

We hebben 24 gasten en geen leden online